Mensen die een beroerte hebben gehad ervaren vaak forse beperkingen in hun dagelijkse activiteiten en rollen in de maatschappij (participatie). Het is belangrijk om al vroeg na de beroerte te screenen op factoren die participatie na een beroerte op de lange termijn beïnvloeden, zodat een revalidatiebehandeling daar op kan worden afgestemd. Dat concludeert revalidatiearts Joris de Graaf, die vandaag promoveert.

Beroertes zijn wereldwijd één van de meest voorkomende oorzaken van overlijden en van blijvende beperkingen. In Nederland krijgen jaarlijks ongeveer 45.000 mensen een beroerte, en naar verwachting zal dit aantal de komende jaren verder toenemen door de vergrijzende bevolking. Doordat de acute behandeling van een beroerte aanzienlijk verbeterd is in de afgelopen jaren, overleven steeds meer mensen een beroerte. Door deze ontwikkelingen hebben ook steeds meer mensen te maken met de langetermijngevolgen van een beroerte. Een beroerte leidt vaak niet alleen tot fysieke beperkingen, maar kan ook emotionele, cognitieve en psychosociale gevolgen hebben. Deze gevolgen hebben vaak een negatieve invloed op de kwaliteit van leven, zeker ook op de langere termijn. Het kan er toe leiden dat mensen na een beroerte minder goed kunnen participeren in de maatschappij, door bijvoorbeeld problemen op het gebied van werk, hobby en sociale activiteiten.

Effect op lange termijn

Een revalidatiebehandeling richt zich juist op het verbeteren van de participatie, zodat mensen weer zo goed mogelijk hun dagelijkse activiteiten en rollen in de maatschappij kunnen vervullen. Revalidatiearts Joris de Graaf van het Kenniscentrum Revalidatiegeneeskunde Utrecht (KCRU): ‘Er is echter weinig kennis over participatie op de lange termijn, en welke factoren dit beloop bepalen. Door dit onderzoek hebben we meer inzicht gekregen in de gevolgen van een beroerte vanuit het perspectief van de patiënten zelf. Ook weten we beter welke psychosociale factoren medebepalen of iemand op de lange termijn participatie problemen zal gaan ervaren (zoals persoonlijkheidskenmerken, stemmingsklachten en beweeggedrag). Hierdoor kunnen we mensen gerichter gaan begeleiden tijdens de revalidatie na een beroerte.’

Op tijd signaleren

Wat De Graaf betreft moet er meer inzicht komen in de participatie problemen die mensen na een beroerte ervaren. De Graaf: ‘We moeten patiënten hier actief naar vragen, over een langere termijn. Die informatie uit bijvoorbeeld vragenlijsten zal ons meer leren over de impact die mensen na een beroerte ervaren, waardoor we beter kunnen aansluiten bij hun individuele waarden en behoeften. Dit moet er ook toe leiden dat we mensen met een beroerte, die risico lopen op participatie problemen, tijdig kunnen identificeren en gericht kunnen behandelen.