Patiënten met een dwarslaesie of niet-aangeboren hersenletsel (NAH) komen vaak voor zorg en behandeling naar een revalidatiecentrum. De behandeling is er met name op gericht om weer zo veel mogelijk zelfstandig te functioneren en te leren omgaan met de nieuwe situatie. Er is daarbij te weinig aandacht voor psychosociale ondersteuning van revalidanten en hun naasten. Dat blijkt uit onderzoek van Eline Scholten die vandaag promoveert.

Een dwarslaesie en NAH zijn de meest voorkomende aandoeningen bij patiënten die opgenomen zijn in een revalidatiecentrum in Nederland. Ze worden vaak geconfronteerd met blijvende fysieke en/of cognitieve beperkingen die hen in hun dagelijks leven belemmeren. Psychosociale problemen komen regelmatig voor bij zowel patiënten als bij hun naasten, ook op de lange termijn. Het gaat dan om bijvoorbeeld gevoelens van angst, depressie en problemen in het dagelijks functioneren binnen het gezin.

Ondersteuning nodig voor naasten

Vooral aandacht voor problemen bij naasten is in de huidige revalidatiezorg beperkt, terwijl het zeker ook voor patiënten heel belangrijk is dat het goed gaat met hun naasten. Scholten: ‘Naasten spelen een belangrijke rol in het ondersteunen van iemand met een dwarslaesie of NAH en hebben daarmee invloed op de manier waarop zij kunnen omgaan met hun aandoening. Net als patiënten met een dwarslaesie of NAH moeten ook naasten zich aanpassen aan de veranderde omstandigheden en de nieuwe rollen die ze vaak vervullen.’

Vragenlijst bij start behandeling

Scholten deed onderzoek onder koppels. Bepaalde psychologische kenmerken bleken samen te hangen met latere psychosociale problemen. Zo hebben patiënten of naasten met al meteen bij de start van de behandeling symptomen van angst en depressie een groter risico op latere psychosociale problemen in de thuissituatie. ‘Het screenen van revalidanten en naasten op dergelijke kenmerken kan helpen om  al vroegtijdig personen met een verhoogd risico op latere psychosociale problemen te identificeren. Dit inzicht helpt zorgprofessionals om de zorg beter af te stemmen op de individuele behoeften van patiënten en naasten,’ zegt Scholten. Een screening van revalidanten en naasten kan bovendien vrij eenvoudig geïmplementeerd worden in de zorg, bijvoorbeeld door hen te vragen een korte vragenlijst in te vullen kort na aanvang van de klinische revalidatie. De onderzoekers hopen de toepasbaarheid van zo’n vragenlijst te analyseren in een vervolgonderzoek.

Eline Scholten is onderzoeker bij het Kenniscentrum Revalidatiegeneeskunde Utrecht.